Het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg zorgen voor de eerbiediging van het Europees recht. Dit betekent dat zij toezien of het Europees recht in alle lidstaten op dezelfde wijze wordt uitegelegd en wordt toegepast. En of de lidstaten dit recht naleven.
(empty)
Er zijn twee procedures nl 1. De rechtstreekse procedure 2. De onrechtstreekse procedure Burgers en ondernemingen kunnen nooit tegen andere burgers of ondernemingen procederen in een rechtstreekse procedure voor het Hof v. J of het Gerecht van eerste aanleg en zij kunnen ook nooit een lidstaat voor het Hof of Gerecht dagen.
Een rechtstreekse procedure wegens het niet nakomen van verdragsverplichtingen, hetgeen de stichting aan de orde stelt, kan enkel ingesteld worden door de Europese Commissie of een lidstaat. Een burger of onderneming kan wel een klacht indienen bij de EC . Die onderzoekt de klacht en kan dan zelf een procedure starten als de klacht ontvankelijk is en gegrond. Naar ik weet is er reeds door de stichting of andere personen een klacht bij de EC ingediend over het keuzerecht en is die ongegrond verklaard. De EC is dus niet bereid een procedure tegen Nederland in te stellen.
Dan blijft er uitsluitend de mogelijkheid van de onrechtstreekse procedure over. Die wordt nu ook gevolgd. Wanneer een rechter van een lidstaat van de EU voor de oplossing van een zaak die hij in behandeling heeft informatie nodig heeft over de interpretatie of de geldigheid van het europees recht kan hij hierover een vraag stellen aan het Hof van Justite. Deze vraag wordt prejudicieële vraag genoemd. Het gaat dan om een onrechtstreekse procedure voor het H.v.J.
Het is een onrechtstreekse procedure omdat de partijen die voor de nationale rechter een geschil hebben hun vraag niet rechtstreeks aan het H.v.J kunnen stellen. Dit kan alleen via de nationale rechters. De advocaten van de stichting hebben bij de procedure voor de rechtbank van Amsterdam de rechter verzocht om enkele prejudicieële vragen te stellen. De nationale rechter kan deze prj vragen stellen als hij dit nodig vindt om de zaak op te lossen.
Het stellen van een prj vraag is verplicht voor de hoogste rechterlijke nationale instanties ( bij een hoger beroep dus). Er zijn echter drie gevallen waarbij de hoogste nationale rechtsinstanties niet verplicht is een prj vraag te stellen: Wanneer het antwoord op de vraag niet nodig is om de zaak op te lossen. Wanneer het H.v.J in een vroegere zaak al uitspraak heeft gedaan over een gelijkaardige vraag. Wanneer de juiste toepassing van het Europees recht zo duidelijk is dat er geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de prj vraag.
De rechter van de rechtbank Amsterdam sector bestuursrecht schrijft in de uitspraak: De rechtbank ziet onvoldoende grond om over te gaan tot het stellen van prejudicieële vragen zoals door eisers is verzocht.
Het kan natuurlijk wel zo zijn dat de nationale rechter in hoger beroep van mening is dat de berekening van de woonlandfactor op foute cijfers is gebaseerd en inderdaad over de gemiddelde zorgkosten van gepensioneerden moet worden berekend. Dat is echter geen zaak waar pjv over worden gesteld daar dit een zaak van het pensioenland is.
Bij het keuzerecht ligt het echter anders. Dat is een zaak van interpretatie van de EV 1408/71.
Jan Steenkist. Bron: Zo werkt Europa UGA 2007. ISBN 978-90-6768-868-0