Onderstaande tekst is de letterlijke weergave van de tekst van de brief. De XXXX'en zijn geplaatst om de privacy van de appellant te waarborgen.
Centrale Raad van Beroep Postbus 16002 3500 DA UTRECHT
Betreft: Uw brief van 28 maart 2008 Ons kenmerk: JZ/28030584 Onderwerp: beroep XXXX/ CVZ Uw kenmerk: 08/1299 ZFW R32130 Behandeld door: mr. M. van Dijen/mr. M. van der Herberg Datum: 24 april 2008
Geachte heer/mevrouw,
Onder verwijzing naar uw brief van 28 maart 2008 treft u hieronder het verweerschrift aan van het College voor zorgverzekeringen (hierna: het CVZ). De overige op deze procedure betrekking hebbende stukken zijn al in uw bezit.
Inleiding
1. De heer XXXX (hierna: appellant) woont in Frankrijk. Hij ontvangt vanuit Nederland een AOW-uitkering. Het CVZ heeft appellant in december 2005 een E121 formulier toegezonden. Daarbij heeft het CVZ appellant bericht dat hij is aangemerkt als verdragsgerechtigde in de zin van Verordening (EG) 1408/71 (hierna: de Verordening) . Appellant is bovendien meegedeeld dat hij op die grond bijdragen aan het CVZ verschuldigd is. Deze bijdragen houdt de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vanaf 1 januari 2006 maandelijks in op de AOW-uitkering van appellant. 2. Bij brief van juni 2006 heeft het CVZ appellant geinformeerd over de van toepassing zijnde woonlandfactor met het oog op de hoogte van de bijdrage. De woonlandfactor is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 vastgesteld. Appellant heeft bij brief van 16 juli 2006 bezwaar gemaakt tegen deze brief. Bij beslissing van 10 november 2006 heeft het CVZ de bezwaren van appellant ongegrond verklaard . 3. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 21 december 2006 beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Naar het oordeel van de ABRvS was de brief van het CVZ van juni 2006 geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien deze brief slechts informatie bevatte over de woonlandfactor en geen rechtsgevolg bewerkstelligde. Tegen de brief van juni 2006 kon appellant derhalve geen bezwaar maken. De ABRvS heeft het beroep van appellant gegrond verklaard, het besluit van het CVZ van 10 november 2006 vernietigd en het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaard. 4. Bij brief van 3 mei 2007 heeft het CVZ aan appellant een voorlopige jaarafrekening gestuurd. In deze voorlopige jaarafrekening heeft het CVZ aan appellant meegedeeld dat hij van het CVZ een bedrag van € 118,-- terug zal ontvangen. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 juni 2007, aangevuld bij brief van 2 juli 2007, bezwaar gemaakt. Het CVZ heeft dit bezwaar op 17 juli 2007 ongegrond verklaard. Het tegen deze beslissing ingediende beroepschrift van 28 augustus 2007 is door de Rechtbank Amsterdam op 31 januari 2008 ongegrond verklaard. Onderhavig beroepschrift richt zich tegen de uitspraak van de Rechtbank. 5. Het CVZ verzoekt uw Raad om al hetgeen het CVZ heeft aangevoerd in de eerdere procedure bij de Rechtbank Amsterdam als hier herhaald en ingelast te beschouwen.
Verzoek om voeging
6. De Rechtbank Amsterdam heeft op 31 januari 2008 drie series uitspraken gedaan. De eerste serie zaken betrof de nummers AWB 07/3445, 07/3443 en 07/3444 ZFW. Het onderhavige beroep richt zich tegen deze uitspraak waarin het CVZ en appellant partij waren. De tweede serie zaken betrof de nummers AWB 07/3617, 07/3619 en 07/3612 ZFW en betrof zaken waarin appellant en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) partij waren. Appellant heeft blijkens zijn beroepschrift ook tegen deze uitspraak hoger beroep aangetekend. Er is nog een derde serie uitspraken van de Rechtbank Amsterdam met nummers AWB 07/3622, 07/3620 07/3615 en 07/3614 ZFW, hierin waren de SVB en andere eisers (verdragsgerechtigden) partij. 7. Onderhavig beroepschrift richt zich ook tegen de tweede serie uitspraken van de Rechtbank. Als gezegd was het CVZ hierbij geen partij. Omdat het belang van het CVZ hiermee ook wordt geraakt, zal het CVZ desondanks ingaan op dit onderdeel van het beroepschrift. Daar komt bij dat de inhoud van beide procedures nauw met elkaar verweven is. Gelet op de samenhang waarbij in genoemde zaken beroep loopt bij uw Raad, ligt gevoegde behandeling van deze zaken voor de hand.
Bevoegdheid SVB/CVZ
8. Artikel 69, vierde lid, Zorgverzekeringswet (Zvw) bepaalt dat het CVZ het orgaan is dat belast is met de administratie als bedoeld in het eerste lid van artikel 69, alsmede met de heffing en inning van de bijdrage. In het vijfde lid van artikel 69 Zvw (thans zevende lid) is opgenomen dat de minister in afwijking van het vierde lid kan be palen dat en orgaan dat pensioen of rente uitkeert de bijdrage inhoudt. 9. Over de inhouding van de bijdrage bepaalt de Regeling zorgverzekering vervolgens in artikel 6.3.2 dat de in artikel 6.3.1 bedoelde bijdrage door het orgaan dat het pensioen of de rente uitkeert, op dat pensioen of die rente wordt ingehouden en aan het Zorgverzekeringsfonds wordt afgedragen. Het tweede lid van artikel 6.3.2 bepaalt dat het in eerste lid bedoelde orgaan door het College voor zorgverzekeringen wordt voorzien van de voor de inhouding van de bijdrage benodigde gegevens. 10. In artikel 1, onder c, van Bijlage VI, onder Rvan de Verordening is bepaald dat de bepalingen van de Zvw en de Aigemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) betreffende de verschuldigdheid van bijdragen van toepassing zijn op personen die in een andere Lidstaat woonachtig zijn en krachtens de Verordening ten laste van Nederland recht hebben op geneeskundige zorg in hun woonland.
Toepassing regelgeving in de praktijk
11 . De genoemde Nederlandse regelgeving maakt voor het proces van de verschuldigdheid van de bijdrage door verdragsgerechtigden dus een onderscheid tussen drie taken: de administratie (a), de inning (b) en de heffing (c). 12. taken (a)!(b) administratie en inhouding. Het CVZ legt administratief vast of iemand verdragsgerechtigd is (artikel 1 onder b, van Bijlage VI, onder Rvan Verordening 1408/71, in verbinding met artikel 69, vierde lid Zvw). Het CVZ geeft deze informatie en de informatie over de woonlandfactor door aan de inhoudingsorganen, bijvoorbeeld de SVB (artikel 6.3.1, tweede lid, Regeling Zorgverzekering). De SVB toetst beperkt of er sprake is van verdragsgerechtigdheid en gaat vervolgens over tot inhouding op AOW-uitkering. Van het besluit tot inhouding van de SVB kan een belanghebbende bezwaar aantekenen. Is de belanghebbende het niet eens met de hoogte van de inhouding, dan kan hij nu nog bij de inhoudingsorganen terecht. Het kabinet is van mening dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest met de Zorgverzekeringswet verschillende rechtsingangen te creeren. Daarom heeft de Tweede Kamer onlangs een wetsvoorstel aangenomen dat regelt dat de rechtsingang eenduidig bij het CVZ komt te liggen (TK 2007-2008, 31377, nr. 2). In het wetsvoorstel geeft de wetgever aan dat het nooit de bedoeling is geweest dat de te volgen rechtsgang bij procedures over de inhouding van bijdragen afhing van het soort pensioen dat betrokkene ontving. De wetgever hecht aan een eenduidige en transparante rechtsgang. Met het wetsvoorstel wordt een eventuele onzekerheid naar aanleiding van de uitleg van de uitvoeringspraktijk van de uitspraken van de ABRvS van 25 april 2007 weggenomen en is voorzien in een eenduidige rechtsgang. Vanaf het moment waarop het genoemde wetsvoorstel Kracht van wet krijgt, is duidelijk geregeld dat ook de inhoudingsbeschikkingen beschikkingen van het CVZ zijn. Als men het niet eens is met de inhouding op zijn pensioen of uitkering door het UWV, de SVB of een particulier pensioenfonds en daartegen bezwaar wil aantekenen, kan men dat vanaf de datum van de wijziging van de wet bij het CVZ doen. Tot die tijd is het nog mogelijk bij (particuliere) pensioenen uitkeringsinstanties een rechtsingang te vinden, als deze de bijdrage op pensioen- of uitkering inhouden. Door het aannemen van het genoemde wetsvoorstel heeft de TK de opvatting van de wetgever onderschreven. Over de inhouding op de uitkering of het pensioen zij het volgende opgemerkt. De inhouding door de SVB in deze zaak is een bijzondere vorm van inning. Inning is immers het geheel van vorderen van de bijdrage en het inhouden op uitkering of pensioen am de totaal verschuldigde bijdrage ge"incasseerd te krijgen. Het CVZ is niet in staat om de hoogte van de inhouding op de uitkering of het pensioen vast te stellen. Het CVZ beschikt namelijk voorafgaande aan het bijdragejaar niet over de inkomensgegevens van de betrokkenen. Om daarover voorafgaand aan de inhouding te beschikken zou een bureaucratische procedure moeten worden ontworpen om de inkomensgegevens van de betrokken instanties te kunnen ontvangen en hen daarna weer te informeren over de berekende bijdrage. Bij iedere luttele wijziging van een pensioen of uitkering zou deze procedure dan van kracht zijn, hetgeen tot een enorme stroom van informatie-uitwisseling (en kans op fouten) zou leiden. Het CVZ neemt geen afzonderlijk besluit over de inhouding. De minister draagt in artikel 6.3.2, eerste lid, van de Regeling Zorgverzekering het pensioenorgaan op om de bijdrage in te houden. Het eerdergenoemde wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer aanhangig is, regelt dat de beschikking tot inhouding op de uitkering voortaan in juridische zin onmiskenbaar afkomstig is van het CVZ. Daarmee wordt ongedaan gemaakt dat er verschillende rechtsgangen blijven bestaan bij de pensioeninstanties en het CVZ. taak (c), de heffing. Op grond van artikel 6.3.3 van de Regeling zorgverzekering stelt het CVZ jaarlijks het verschil (voorlopig en definitief) vast tussen de verschuldigde bijdrage en het totaal van de op de uitkering of het pensioen ingehouden bijdrage. Dit doet het CVZ op basis van inkomensgegevens die het CVZ pas achteraf van de Belastingdienst ontvangt. Indien het orgaan dat de bijdrage inhoudt meer heeft ingehouden dan door de bijdrageplichtige is verschuldigd, betaalt het CVZ dit verschil terug. Indien er te weinig bijdrage is ingehouden moet de bijdrageplichtige het verschil aan het CVZ betalen. 13. Appellant voert aan dat de SVB het bevoegde orgaan is ter zake van de inhouding op de AOW-uitkering. Appellant stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet de SVB maar het CVZ ter zake van de inhouding bevoegd is. Appellant beroept zich daarbij op een uitspraak van Uw Raad van 7 maart 2007 waarbij Uw Raad heeft geoordeeld dat zowel Agis als de SVB een appellabel besluit namen ter zake van een en dezelfde inhouding. Daarnaast voert appellant aan dat artikel 33 van de Verardening aileen het orgaan dat het wettelijk pensioen uitkeert aanwijst als bevoegd orgaan dat op grond van dit artikel mag heffen. 14. Het CVZ ontgaat de strekking en het doel van het betoog van appellant. Allereerst merkt het CVZ op dat de Rechtbank een veel genuanceerder oordeel geeft. De Rechtbank bevestigt namelijk een al jaren bestaande uitvoeringspraktijk. Het CVZ stelt de verdragsgerechtigdheid vast en legt deze in zijn administratie vast. Deze informatie verstrekt het CVZ vervolgens aan de pensioeninstantie, in dit geval de SVB. De SVB zal op grond van de Regeling zorgverzekering vervolgens een inhouding plegen op het pensioen. Als de SVB twijfels heeft over de van het CVZ verkregen informatie, zal de SVB contact opnemen met het CVZ en onderzoeken of de verkregen informatie correct is. Het is onder de huidige wetgeving dus niet zo dat het CVZ beslist over de inhouding op de uitkering. Wel beslist het CVZ over de totaal verschuldigde bijdrage (heffing). 15. Appellant lijkt enerzijds te betogen dat aileen de SVB bevoegd is om over de inhouding (lees: de heffing) te beslissen. Anderzijds lijkt appellant met zijn beroep op de uitspraak van Uw Raad van 7 maart 2007 te betogen dat het CVZ en de SVB beide bevoegd zijn ter zake van de inhoudingsbeslissing. 16. Als appellant bedoelt te betogen dat het CVZ niet bevoegd is ter zake van het heffen van bijdragen van verdragsgerechtigden, dan kan het CVZ appellant niet volgen in deze redenering. Zoals hiervoor al geschetst, beslist het CVZ onder de hUidige nationale wetgeving niet over de inhouding op de uitkering of het pensioen, maar over de heffing van de totale bijdrage en niet over het op de uitkering of het pensioen ingehouden dee!. Artikel 1, onder C, van Bijlage VI, onder Rvan de Verordening verklaart de nationale wetgeving van toepassing. De wijze van inhouden, innen en heffen geschiedt in overeenstemming daarmee. 17. Met de Rechtbank is het CVZ van oordeel dat onder de vigerende regelgeving de SVB kan volstaan met een beperkte toets ten aanzien van de inhouding van de bijdrage. 18. Het betoog van appellant dat op grond van artikel 33 van de Verordening aileen de SVB bevoegd is tot het doen van heffingen gaat voorbij aan Bijlage VI van de Verordening. De Bijlage vormt een integraal onderdeel van de Verordening (vergelijk ook HR 5 oktober 2007, LJN BB4746, 43082). 19. Wat hier verder ook van zij, ook indien artikel 1, onder c, van Bijlage VI, onder R niet in de Verordening zou zijn opgenomen, is de interpretatie van appellant van artikel 33 zelf van de Verordening evident onjuist. Artikel 33 is onderdeel van Titel III, Afdeling 5 (Pensioen- of rentetrekkers en hun gezinsleden) van de Verordening en heeft betrekking op de bijdragen of premies die voor rekening komen van pensioen- of rentetrekkers. Artikel 33 vormt mede de basis voor het heffen en innen van de bijdrage. Dit kan aileen als er een wettelijke regeling is. Daarmee is de vrijheid aan de lidstaten. Die regeling is in Nederland vormgegeven door artikel 69 Zorgverzekeringswet en hoofdstuk 6 van de Regeling zorgverzekering. Daarmee is er via artikel 33 een machtiging tot inhouding op de uitkering of het pensioen bij de pensioenorganen en dus ook de SVB. Oit laat onverlet dat een ander orgaan van de Staat de bijdrage mag vaststellen (heffing door het CVZ). Ook voor de invoering van Bijlage VI in 2006 werd de bijdrageheffing op deze manier uitgevoerd. 20. De wijze waarop de inhouding van de bijdrage in de betreffende regelgeving, is vormgegeven, met een beperkte ral voor de SVB, is daarom naar het oordeel van het CVZ volledig in overeenstemming met de geldende regelgeving, zowel nationaal als internationaal.
De woonlandfactor
21. Artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering bepaalt in het tweede lid wat de grondslag voor de berekening van de bijdrage voor in het buitenland woonachtige verdragsgerechtigden is. De grandslag voar de bijdrage bestaat uit een drietal componenten: a. een deelbijdrage berekend overeenkomstig de verschuldigde premie Zorgverzekeringswet; b. een deelbijdrage berekend overeenkomstig de verschuldigde premie AWBZ; c. een nominaal bijdragedeel. 22.ln het eerste lid van artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering is de woonlandfactor opgenomen. De woonlandfactor is een berekeningswijze om de individuele bijdrage aan te passen aan het niveau van de zorg in het woonland. Met de wijziging van de Regeling zorgverzekering van 28 april 2006 werd de woonlandfactor met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 ingevoerd. De woonlandfactor komt ook tegemoet aan de motie Schippers (Kamerstukken II, 2005/06, 29689, nr. 52) waarin wordt verzocht de bijdrage voor verdragsgerechtigden te differentieren, zodat er geen onevenwichtigheid bestaat in de bijdragen die Nederlanders in de verdragslanden opbrengen en de kosten die voor hen worden gemaakt. Tevens komt de wijziging tegemoet aan het vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2006 (KG 06/125). 23. Nederland kent een gecompartimenteerd systeem voor zorgkosten. Enerzijds is er de Zorgverzekeringswet waaruit globaal genomen de kosten voor 'cure' worden vergoed. Anderzijds is er de Aigemene Wet Bijzondere Ziektekosten waaruit de kosten voor 'care' worden vergoed. 24. In de meeste Eurapese en verdragslanden is in de sociale zorgverzekering geen onderscheid gemaakt tussen 'care' en 'cure'. Vaak vergoeden die landen in hun zorgverzekering wei de kosten van 'cure' (geheel) maar vergoedt die verzekering de kosten van 'care' slechts gedeeltelijk. Het kan dan zijn dat in vergoeding van de kosten die niet onder de verzekering vallen op een andere wijze wordt voorzien. Waarbij de daarvoor benodigde middelen bijvoorbeeld uit de belastinggelden worden gehaald in plaats van uit verzekeringspremies. 25. In tegenstelling tot wat appellant beweert (punt 23 van het hoger beroepschrift), is het dus niet zo dat 'AWBZ-achtige zorg' in andere landen niet bestaat. Die stelling van appellant zou namelijk tot de conclusie leiden dat in andere landen bijvoorbeeld geen GGZ-zorg bestaat of dat in andere landen geen hulpmiddelen worden gebruikt bij herstel of revalidatie van een ziekte of aandoening. Een ander voorbeeld is het verblijf in een ziekenhuis. Oat wordt in Nederland het eerste jaar vanuit de Zorgverzekeringswet vergoed en daarna vanuit de AWBZ. In andere landen blijft de ziekenhuiszorg ook na een jaar gefinancieerd, aileen daar kent men niet een gecompartimenteerd stelsel. Nederland is niet uniek voor wat betreft de zorg die beschikbaar is. Wei is Nederland uniek voor wat betreft de wijze waarop het wettelijke ziektekostenverzekeringsstelsel is ingericht en wat onder dat stelsel wordt vergoed. 26. Omdat in het Nederlandse wettelijke ziektekostenverzekeringstelsel ook de AWBZ-zorg meetelt, vergoedt Nederland veelal meer zorg onder de sociale ziektekostenverzekering dan andere landen. Het zou om die reden tot ongelijkheid tussen de verdragsgerechtigden en de Nederlandse verzekerden leiden als een verdragsgerechtigde een even hoge premie als een Nederlandse verzekerde zou moeten betalen. Omdat ieder verdragsland een ander zorgverzekeringspakket aanbiedt, is het in de praktijk onmogelijk om deze pakketten met elkaar te vergelijken. Hierover verschillen partijen niet van mening. 27. Mede gelet op de onmogelijkheid om zorgpakketten per land met elkaar te vergelijken, heeft de minister besloten de woonlandfactor in te voeren. Daarmee is de bijdrage die de verdragsgerechtigde moet betalen in relatie gebracht met de zorgkosten voor de sociale ziektekostenverzekering in het woonland. Zo worden ook ongelijke gevallen niet langer gelijk behandeld. Voor verdragsgerechtigden in een woonland met een relatief klein of goedkoop woonlandpakket zal een iagere wooniandfactor van toepassing zijn dan voor de verdragsgerechtigden met een relatief duur of uitgebreid woonlandpakket. Hierdoor ontstaat er differentiatie in de bijdrage per land. 28. Met de invoering van de woonlandfactor gaat de minister verder dan op grand van het genoemde vonnis van de rechtbank Den Haag noodzakelijk was. Immers de minister past de woonlandfactor toe op de volledige grondslag van de bijdrage, dat wil zeggen op aile drie de componenten daaruit. Op grond van het vonnis was het slechts noodzakelijk om aileen op de AWBZ-factor differentiatie toe te passen.
De berekening van de woonlandfactor
29. Artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeting zorgverzekering luidt: De voor een persoon, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet verschuldigde bijdrage wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddetde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociate zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland. 30. Appeilant staat een andere berekening van de woonlandfactor voor. Appellant wenst daarbij aan te sluiten bij het bepaalde in artikel 95 van Verordening 574/72 (de toepassingsverordening). Appellant meent dat uit die bepaling dwingend voortvloeit dat de berekening van de woonlandfactor geschiedt met de op basis van dat artikel verkregen cijfers. Daarbij stelt appellant dat het in de rede ligt dat daarbij in aanmerking genomen worden de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden in Nederland en de gemiddelde kosten van verstrekkingen aan gepensioneerden in de verschillende woonlanden. Appellant is van mening dat dit de enige passend maatregel is die kan voorkomen dat het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden. Appellant stelt dat er sprake is van verschillende sociale zekerheidsstelsels, te weten het stelsel van de Verordening en het nationale stelsel. 31. Het CVZ is van mening dat het Gemeenschapsrecht de Lidstaten een grote mate van vrijheid geeft bij het vaststellen van de bijdragen voor verdragsgerechtigden. Dit voigt uit het bepaalde in artikel 33, eerste lid, van de Verordening ook in verband met Bijlage VI van de Verordening. In artikel 33 is bepaald dat de Lidstaten de bijdrage berekenen overeenkomstig hun eigen wettelijke regeling. De bijdrage is bedoeld ter dekking van de kosten van prestaties. Nergens is bepaald of geregeld dat de Lidstaten moeten aansluiten bij de systematiek uit een Verordening of de cijfers die op grond daarvan beschikbaar zijn. Nergens blijkt dat voor de berekening van de bijdrage er sprake is van de door appellant gesuggereerde twee sociale zekerheidsstelsels, of dat die gedachte daarbij als leidraad zou moeten fungeren. Evenmin is bepaald dat de voor de verdragsgerechtigde meest gunstige methode moet worden gebruikt. Bovendien ziet artikel 95 van Verordening 574/72 op een heel andere situatie dan hier aan de orde. 32. Appellant betoogt dat de minister bij zijn berekening slechts met gepensioneerden rekening mag houden, omdat appellant aileen op die manier 'ongelijk genoeg' behandeld wordt. Dit sluit echter niet aan bij de wettelijke regeling, zoals die in Nederland geldt. Het Nederlandse ziektekostenverzekeringstelsel differentieert de premie niet naar leeftijd of naar groepen zoals bijvoorbeeld gepensioneerden of uitkeringstrekkers. Dat heeft alles te maken met de risicosolidariteit die in die wetgeving besloten Iigt. De minister sluit in de Regeling zorgverzekering aan bij de Nederlandse wetgeving en dat is overeenkomstig artikel 33 van de Verordening. Er is geen verplichting of noodzaak om ook nog eens te differentieren naar leeftijd, of zoals appellant dat wenst naar zijn specifieke groep van gepensioneerden. Het bepaalde in artikel 6.3.1 , eerste lid, van de Regeling zorgverzekering leidt niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel. 33. Appellant stelt dat de woonlandfactor een rechtstreekse relatie met artikel 95 van Verordening 574/72 heeft. Artikel 95 regelt echter niets over de bijdrage die een verdragsgerechtigde aan het pensioenland moet betalen. Artikel 95 is bedoeld om de vergoeding van de bedragen tussen de Lidstaten onderling te regelen. 34. De toepassingsverordening voorziet er in dat de Lidstaten elkaar onderling de door migrerende verzekerden veroorzaakte kosten vergoeden. Die vergoeding geschiedt op basis van een vast bedrag berekend uit de gemiddelde kosten per verzekerde of per gezin. Het vaste bedrag moet de werkelijke kosten zoveel mogelijk benaderen. Om die reden kent Verordening 574/72 twee risicogroepen, te weten de gezinsleden van werknemers en zelfstandigen (artikel 94) en de gepensioneerden en hun gezinsleden (artikel 95). De achtergrond hiervan is, dat de gepensioneerden en hun gezinsleden een ander, naar verwachting, hoger kostenpatroon zullen vertonen dan de gezinsleden van werknemers en zelfstandigen. Als appellants' stellingen in het beroepschrift gevolgd zouden moeten worden zou dat er toe leiden dat er per categorie, naar gelang de kosten die die categorie gemiddeld veroorzaakt, een aparte premiesteiiing zou moeten worden vastgesteld. Dat komt in strijd met de risicosolidariteit en het verbod op premiedifferentiatie die het Nederlandse stelsel kenmerken. 35. Appellant voert aan dat de Nederlandse Staat ten aanzien van de uitvoering van artikel 95 van Verordening 574/72 nalatig is en dat dat geen reden kan zijn om de berekening van de bijdrage niet te baseren op de door hem bepleite methode. 36. Dat Nederland nalatig zou zijn bij de uitvoering van artikel 95 is onjuist. Nederland geeft al ruim 30 jaar met expliciete toestemming van de andere Lidstaten en de Administratieve Commissie in aile openheid dezelfde uitvoering aan dit artikel. Nederland is in al die jaren nooit door de Administratieve Commissie aangesproken. Evenmin is Nederland ooit in een geschil betrokken bij de Administratieve Commissie, omdat Nederland dit artikel niet goed zou uitvoeren. De nieuwe Verordening 883/2004 zal de Nederlandse uitvoeringswijze integraalovernemen. 37. Overigens is er een goede reden voor Nederland om artikel 95 van Verordening 574/72 uit te voeren zoals Nederland dat nu doet. Het is voor Nederland niet mogelijk de volledige ziektekosten voor aile gepensioneerden en hun gezinsieden vast te stellen. Gepensioneerden in zin van de Verordening zijn aile uitkeringstrekkers en mensen met recht op een pensioen, dus niet aileen de 65jarigen. Als Nederland deze kosten wil achterhalen moet Nederland niet aileen van aile gepensioneerden achterhalen wie hun gezinsleden zijn, maar ook van aile mensen met bijvoorbeeld een WAO-uitkering of een werkloosheidsuitkering in Nederland. Van deze laatste groepen registreert Nederland die gegevens niet, omdat die gegevens voor de uitvoering van die wetten niet noodzakelijk zijn en dus ook niet bij de betrokken uitkeringsontvangers mogen worden opgevraagd. Het gaat dus om een aanzienlijke groep personen, waarvan Nederland niet in detail gegevens beschikbaar heeft. 38. Als appellant bedoelt dat de berekening van de woonlandfactor moet plaatsvinden aan de hand van de gegevens over aile 65-jarigen in Nederland (gepensioneerden in de zin van de AOW) en het woonland, dan zijn daar evenmin voldoende gegevens voor beschikbaar. De gegevens die van de meeste andere lidstaten beschikbaar zijn maken namelijk geen onderscheid naar deze groep verzekerden. De cijfers van de meeste andere Verdragslanden betreffen namelijk de volledige groep pensioen- en rentetrekkers, die veel groter is dan aileen de groep 65-jarigen. 39. Het stond de minister vrij de berekening van de bijdrage te regelen, zoals hij dat nu eeft gedaan. Oat er ook andere methoden voor de berekening van de woonlandfactor zouden kunnen zijn, wil niet zeggen dat de methode die de minister nu in de Regeling zorgverzekering heeft opgenomen niet in redelijkheid kan worden gebruikt. Sterker nog, het CVZ is van mening dat de minister in redelijkheid tot het opstellen van de Regeling zorgverzekering is overgegaan. Het CVZ is niet gebleken dat hij niet gehouden is om aan die Regeling bij het opstellen van de voorlopige jaarafrekening gevolg te geven. Het CVZ is daarom van mening dat de Rechtbank geen onjuiste maatstaf bij de toetsing van het bestreden besluit heeft aangelegd.
Conclusie
Het CVZ is van mening dat de Rechtbank op goede gronden het beroep van appellant ongegrond heeft verklaard.
(was getekend) dr. P.C. Hermans Voorzitter Raad van Bestuur