Home
Zoek op kernwoord
Actueel nieuws
Zorgverzekering Belgie
Pensionado's
VWS Monitor 2010
Verslag advocaat Pijnacker Hordijk van de zitting EHvJ
Aantekeningen bij de pleitnota van de advocaat van de SBNGBB
Correctie Jaarrekeningen CVZ
Voorlichtingsavond Nederlandse gepensioneerden op 26 april 2010
Uit een brief van het CVZ
Nieuw beleid verdragsgerechtigden wonend in buitenland
CM en de reisverzekeringen
VWS Verzekerdenmonitor
Chaos bij CVZ
Centrale Raad voor Beroep Pleitnota
Woonlandfactor 2009
Medisch toerisme stijgt dramatisch de komende 10 jaar
Hoger Beroep CRvB
Restitutie teveel betaalde bijdrage
Behandeling in Nederland voor Pensionado's
ziektekosten v. reisverzekering buiten Europa
Conceptrichtlijn van de EC over de grensoverschrijdende zorg.
Aanvullende mededeling van de EC op de concept-richtlijn
Verslag gesprek met CM over reisverzekeringen
Stichting SBNGB
Woonlandfactor
Keuzerecht
Processen
Bezwaarschriften
Parlement en Ministerie
Brieven en mededelingen
Pensioenfondsen
SBNGB antwoordt op Masterplan
Antwoord Minister Masterplan (1)
Antwoord Masterplan (2)
Antwoord Masterplan (3)
Antwoord Masterplan (4)
Antwoord Masterplan Conclusie (1)
Antwoord Masterplan Conclusie (2)
Brief SBNGB aan minister Klink 7 dec 2007
CVZ Verweerschrift 24 april
SVB Verweerschrift 24 april
Naar het ziekenhuis, wat nu...
Emigreren op oudere leeftijd
Europa
Wetten
Beleggen en investeren
Diversen
Forum
NederBelgisch Blog
Abonneren Nieuwsbrief
Contact
Links
Archief
   
 


Onderstaande tekst is de letterlijke weergave van de tekst van de brief.  De XXXX'en zijn geplaatst om de privacy van de appellant te waarborgen.

Centrale Raad van Beroep
Postbus 16002
3500 DA UTRECHT


Betreft: Uw brief van 28 maart 2008
Ons kenmerk: JZ/28030584
Onderwerp: beroep XXXX/ CVZ
Uw kenmerk: 08/1299 ZFW R32130
Behandeld door: mr. M. van Dijen/mr. M. van der Herberg
Datum: 24 april 2008

Geachte heer/mevrouw,

Onder verwijzing naar uw brief van 28 maart 2008 treft u hieronder het verweerschrift aan van het College voor zorgverzekeringen (hierna: het CVZ). De overige op deze procedure betrekking hebbende stukken zijn al in uw bezit.

Inleiding

1. De heer XXXX (hierna: appellant) woont in Frankrijk. Hij ontvangt vanuit
Nederland een AOW-uitkering. Het CVZ heeft appellant in december 2005 een
E121 formulier toegezonden. Daarbij heeft het CVZ appellant bericht dat hij is
aangemerkt als verdragsgerechtigde in de zin van Verordening (EG) 1408/71
(hierna: de Verordening) . Appellant is bovendien meegedeeld dat hij op die grond
bijdragen aan het CVZ verschuldigd is. Deze bijdragen houdt de Sociale
Verzekeringsbank (SVB) vanaf 1 januari 2006 maandelijks in op de AOW-uitkering
van appellant.
2. Bij brief van juni 2006 heeft het CVZ appellant geinformeerd over de van
toepassing zijnde woonlandfactor met het oog op de hoogte van de bijdrage. De
woonlandfactor is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 vastgesteld.
Appellant heeft bij brief van 16 juli 2006 bezwaar gemaakt tegen deze brief. Bij
beslissing van 10 november 2006 heeft het CVZ de bezwaren van appellant
ongegrond verklaard .
3. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 21 december 2006 beroep
ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
Naar het oordeel van de ABRvS was de brief van het CVZ van juni 2006 geen
besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien deze brief
slechts informatie bevatte over de woonlandfactor en geen rechtsgevolg
bewerkstelligde. Tegen de brief van juni 2006 kon appellant derhalve geen
bezwaar maken. De ABRvS heeft het beroep van appellant gegrond verklaard, het
besluit van het CVZ van 10 november 2006 vernietigd en het bezwaar van
appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaard.
4. Bij brief van 3 mei 2007 heeft het CVZ aan appellant een voorlopige
jaarafrekening gestuurd. In deze voorlopige jaarafrekening heeft het CVZ aan
appellant meegedeeld dat hij van het CVZ een bedrag van € 118,-- terug zal
ontvangen. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 juni 2007, aangevuld
bij brief van 2 juli 2007, bezwaar gemaakt. Het CVZ heeft dit bezwaar op 17 juli
2007 ongegrond verklaard. Het tegen deze beslissing ingediende beroepschrift
van 28 augustus 2007 is door de Rechtbank Amsterdam op 31 januari 2008
ongegrond verklaard. Onderhavig beroepschrift richt zich tegen de uitspraak van
de Rechtbank.
5. Het CVZ verzoekt uw Raad om al hetgeen het CVZ heeft aangevoerd in de eerdere procedure bij de Rechtbank Amsterdam als hier herhaald en ingelast te
beschouwen.

Verzoek om voeging

6. De Rechtbank Amsterdam heeft op 31 januari 2008 drie series uitspraken
gedaan. De eerste serie zaken betrof de nummers AWB 07/3445, 07/3443 en
07/3444 ZFW. Het onderhavige beroep richt zich tegen deze uitspraak waarin het
CVZ en appellant partij waren. De tweede serie zaken betrof de nummers AWB
07/3617, 07/3619 en 07/3612 ZFW en betrof zaken waarin appellant en de
Sociale Verzekeringsbank (SVB) partij waren. Appellant heeft blijkens zijn
beroepschrift ook tegen deze uitspraak hoger beroep aangetekend. Er is nog een
derde serie uitspraken van de Rechtbank Amsterdam met nummers AWB
07/3622, 07/3620 07/3615 en 07/3614 ZFW, hierin waren de SVB en andere
eisers (verdragsgerechtigden) partij.
7. Onderhavig beroepschrift richt zich ook tegen de tweede serie uitspraken van de
Rechtbank. Als gezegd was het CVZ hierbij geen partij. Omdat het belang van het
CVZ hiermee ook wordt geraakt, zal het CVZ desondanks ingaan op dit onderdeel
van het beroepschrift. Daar komt bij dat de inhoud van beide procedures nauw
met elkaar verweven is. Gelet op de samenhang waarbij in genoemde zaken
beroep loopt bij uw Raad, ligt gevoegde behandeling van deze zaken voor de
hand.

Bevoegdheid SVB/CVZ

8. Artikel 69, vierde lid, Zorgverzekeringswet (Zvw) bepaalt dat het CVZ het orgaan
is dat belast is met de administratie als bedoeld in het eerste lid van artikel 69,
alsmede met de heffing en inning van de bijdrage. In het vijfde lid van artikel 69
Zvw (thans zevende lid) is opgenomen dat de minister in afwijking van het vierde
lid kan be palen dat en orgaan dat pensioen of rente uitkeert de bijdrage inhoudt.
9. Over de inhouding van de bijdrage bepaalt de Regeling zorgverzekering
vervolgens in artikel 6.3.2 dat de in artikel 6.3.1 bedoelde bijdrage door het
orgaan dat het pensioen of de rente uitkeert, op dat pensioen of die rente wordt
ingehouden en aan het Zorgverzekeringsfonds wordt afgedragen. Het tweede lid
van artikel 6.3.2 bepaalt dat het in eerste lid bedoelde orgaan door het College
voor zorgverzekeringen wordt voorzien van de voor de inhouding van de bijdrage
benodigde gegevens.
10. In artikel 1, onder c, van Bijlage VI, onder Rvan de Verordening is bepaald dat de bepalingen van de Zvw en de Aigemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
betreffende de verschuldigdheid van bijdragen van toepassing zijn op personen
die in een andere Lidstaat woonachtig zijn en krachtens de Verordening ten laste
van Nederland recht hebben op geneeskundige zorg in hun woonland.

Toepassing regelgeving in de praktijk

11 . De genoemde Nederlandse regelgeving maakt voor het proces van de
verschuldigdheid van de bijdrage door verdragsgerechtigden dus een
onderscheid tussen drie taken: de administratie (a), de inning (b) en de heffing
(c).
12. taken (a)!(b) administratie en inhouding.
Het CVZ legt administratief vast of iemand verdragsgerechtigd is (artikel 1
onder b, van Bijlage VI, onder Rvan Verordening 1408/71, in verbinding
met artikel 69, vierde lid Zvw). Het CVZ geeft deze informatie en de
informatie over de woonlandfactor door aan de inhoudingsorganen,
bijvoorbeeld de SVB (artikel 6.3.1, tweede lid, Regeling Zorgverzekering).
De SVB toetst beperkt of er sprake is van verdragsgerechtigdheid en gaat
vervolgens over tot inhouding op AOW-uitkering. Van het besluit tot
inhouding van de SVB kan een belanghebbende bezwaar aantekenen. Is de
belanghebbende het niet eens met de hoogte van de inhouding, dan kan
hij nu nog bij de inhoudingsorganen terecht. Het kabinet is van mening
dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest met de
Zorgverzekeringswet verschillende rechtsingangen te creeren. Daarom
heeft de Tweede Kamer onlangs een wetsvoorstel aangenomen dat regelt
dat de rechtsingang eenduidig bij het CVZ komt te liggen (TK 2007-2008,
31377, nr. 2). In het wetsvoorstel geeft de wetgever aan dat het nooit de
bedoeling is geweest dat de te volgen rechtsgang bij procedures over de
inhouding van bijdragen afhing van het soort pensioen dat betrokkene
ontving. De wetgever hecht aan een eenduidige en transparante
rechtsgang. Met het wetsvoorstel wordt een eventuele onzekerheid naar
aanleiding van de uitleg van de uitvoeringspraktijk van de uitspraken van
de ABRvS van 25 april 2007 weggenomen en is voorzien in een
eenduidige rechtsgang. Vanaf het moment waarop het genoemde
wetsvoorstel Kracht van wet krijgt, is duidelijk geregeld dat ook de
inhoudingsbeschikkingen beschikkingen van het CVZ zijn. Als men het
niet eens is met de inhouding op zijn pensioen of uitkering door het UWV,
de SVB of een particulier pensioenfonds en daartegen bezwaar wil
aantekenen, kan men dat vanaf de datum van de wijziging van de wet bij
het CVZ doen. Tot die tijd is het nog mogelijk bij (particuliere) pensioenen
uitkeringsinstanties een rechtsingang te vinden, als deze de bijdrage
op pensioen- of uitkering inhouden. Door het aannemen van het
genoemde wetsvoorstel heeft de TK de opvatting van de wetgever
onderschreven.
Over de inhouding op de uitkering of het pensioen zij het volgende
opgemerkt. De inhouding door de SVB in deze zaak is een bijzondere
vorm van inning. Inning is immers het geheel van vorderen van de
bijdrage en het inhouden op uitkering of pensioen am de totaal
verschuldigde bijdrage ge"incasseerd te krijgen. Het CVZ is niet in staat om
de hoogte van de inhouding op de uitkering of het pensioen vast te
stellen. Het CVZ beschikt namelijk voorafgaande aan het bijdragejaar niet
over de inkomensgegevens van de betrokkenen. Om daarover voorafgaand
aan de inhouding te beschikken zou een bureaucratische procedure
moeten worden ontworpen om de inkomensgegevens van de betrokken
instanties te kunnen ontvangen en hen daarna weer te informeren over de
berekende bijdrage. Bij iedere luttele wijziging van een pensioen of
uitkering zou deze procedure dan van kracht zijn, hetgeen tot een enorme
stroom van informatie-uitwisseling (en kans op fouten) zou leiden. Het
CVZ neemt geen afzonderlijk besluit over de inhouding. De minister
draagt in artikel 6.3.2, eerste lid, van de Regeling Zorgverzekering het
pensioenorgaan op om de bijdrage in te houden. Het eerdergenoemde
wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer aanhangig is, regelt dat de
beschikking tot inhouding op de uitkering voortaan in juridische zin
onmiskenbaar afkomstig is van het CVZ. Daarmee wordt ongedaan
gemaakt dat er verschillende rechtsgangen blijven bestaan bij de
pensioeninstanties en het CVZ.
taak (c), de heffing.
Op grond van artikel 6.3.3 van de Regeling zorgverzekering stelt het CVZ
jaarlijks het verschil (voorlopig en definitief) vast tussen de verschuldigde
bijdrage en het totaal van de op de uitkering of het pensioen ingehouden
bijdrage. Dit doet het CVZ op basis van inkomensgegevens die het CVZ
pas achteraf van de Belastingdienst ontvangt. Indien het orgaan dat de
bijdrage inhoudt meer heeft ingehouden dan door de bijdrageplichtige is
verschuldigd, betaalt het CVZ dit verschil terug. Indien er te weinig
bijdrage is ingehouden moet de bijdrageplichtige het verschil aan het CVZ
betalen.
13. Appellant voert aan dat de SVB het bevoegde orgaan is ter zake van de inhouding
op de AOW-uitkering. Appellant stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft
geoordeeld dat niet de SVB maar het CVZ ter zake van de inhouding bevoegd is.
Appellant beroept zich daarbij op een uitspraak van Uw Raad van 7 maart 2007
waarbij Uw Raad heeft geoordeeld dat zowel Agis als de SVB een appellabel
besluit namen ter zake van een en dezelfde inhouding. Daarnaast voert appellant
aan dat artikel 33 van de Verardening aileen het orgaan dat het wettelijk
pensioen uitkeert aanwijst als bevoegd orgaan dat op grond van dit artikel mag
heffen.
14. Het CVZ ontgaat de strekking en het doel van het betoog van appellant.
Allereerst merkt het CVZ op dat de Rechtbank een veel genuanceerder oordeel
geeft. De Rechtbank bevestigt namelijk een al jaren bestaande
uitvoeringspraktijk. Het CVZ stelt de verdragsgerechtigdheid vast en legt deze in
zijn administratie vast. Deze informatie verstrekt het CVZ vervolgens aan de
pensioeninstantie, in dit geval de SVB. De SVB zal op grond van de Regeling
zorgverzekering vervolgens een inhouding plegen op het pensioen. Als de SVB
twijfels heeft over de van het CVZ verkregen informatie, zal de SVB contact
opnemen met het CVZ en onderzoeken of de verkregen informatie correct is. Het
is onder de huidige wetgeving dus niet zo dat het CVZ beslist over de inhouding
op de uitkering. Wel beslist het CVZ over de totaal verschuldigde bijdrage
(heffing).
15. Appellant lijkt enerzijds te betogen dat aileen de SVB bevoegd is om over de
inhouding (lees: de heffing) te beslissen. Anderzijds lijkt appellant met zijn
beroep op de uitspraak van Uw Raad van 7 maart 2007 te betogen dat het CVZ en
de SVB beide bevoegd zijn ter zake van de inhoudingsbeslissing.
16. Als appellant bedoelt te betogen dat het CVZ niet bevoegd is ter zake van het
heffen van bijdragen van verdragsgerechtigden, dan kan het CVZ appellant niet
volgen in deze redenering. Zoals hiervoor al geschetst, beslist het CVZ onder de
hUidige nationale wetgeving niet over de inhouding op de uitkering of het
pensioen, maar over de heffing van de totale bijdrage en niet over het op de
uitkering of het pensioen ingehouden dee!. Artikel 1, onder C, van Bijlage VI,
onder Rvan de Verordening verklaart de nationale wetgeving van toepassing. De
wijze van inhouden, innen en heffen geschiedt in overeenstemming daarmee.
17. Met de Rechtbank is het CVZ van oordeel dat onder de vigerende regelgeving de SVB kan volstaan met een beperkte toets ten aanzien van de inhouding van de
bijdrage.
18. Het betoog van appellant dat op grond van artikel 33 van de Verordening aileen
de SVB bevoegd is tot het doen van heffingen gaat voorbij aan Bijlage VI van de
Verordening. De Bijlage vormt een integraal onderdeel van de Verordening
(vergelijk ook HR 5 oktober 2007, LJN BB4746, 43082).
19. Wat hier verder ook van zij, ook indien artikel 1, onder c, van Bijlage VI, onder R niet in de Verordening zou zijn opgenomen, is de interpretatie van appellant van
artikel 33 zelf van de Verordening evident onjuist. Artikel 33 is onderdeel van
Titel III, Afdeling 5 (Pensioen- of rentetrekkers en hun gezinsleden) van de
Verordening en heeft betrekking op de bijdragen of premies die voor rekening
komen van pensioen- of rentetrekkers. Artikel 33 vormt mede de basis voor het
heffen en innen van de bijdrage. Dit kan aileen als er een wettelijke regeling is.
Daarmee is de vrijheid aan de lidstaten. Die regeling is in Nederland
vormgegeven door artikel 69 Zorgverzekeringswet en hoofdstuk 6 van de
Regeling zorgverzekering. Daarmee is er via artikel 33 een machtiging tot
inhouding op de uitkering of het pensioen bij de pensioenorganen en dus ook de
SVB. Oit laat onverlet dat een ander orgaan van de Staat de bijdrage mag
vaststellen (heffing door het CVZ). Ook voor de invoering van Bijlage VI in 2006
werd de bijdrageheffing op deze manier uitgevoerd.
20. De wijze waarop de inhouding van de bijdrage in de betreffende regelgeving, is
vormgegeven, met een beperkte ral voor de SVB, is daarom naar het oordeel van
het CVZ volledig in overeenstemming met de geldende regelgeving, zowel
nationaal als internationaal.

De woonlandfactor

21. Artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering bepaalt in het tweede lid wat de
grondslag voor de berekening van de bijdrage voor in het buitenland
woonachtige verdragsgerechtigden is. De grandslag voar de bijdrage bestaat uit
een drietal componenten:
a. een deelbijdrage berekend overeenkomstig de verschuldigde premie
Zorgverzekeringswet;
b. een deelbijdrage berekend overeenkomstig de verschuldigde premie AWBZ;
c. een nominaal bijdragedeel.
22.ln het eerste lid van artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering is de
woonlandfactor opgenomen. De woonlandfactor is een berekeningswijze om de
individuele bijdrage aan te passen aan het niveau van de zorg in het woonland.
Met de wijziging van de Regeling zorgverzekering van 28 april 2006 werd de
woonlandfactor met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 ingevoerd. De
woonlandfactor komt ook tegemoet aan de motie Schippers (Kamerstukken II,
2005/06, 29689, nr. 52) waarin wordt verzocht de bijdrage voor
verdragsgerechtigden te differentieren, zodat er geen onevenwichtigheid bestaat
in de bijdragen die Nederlanders in de verdragslanden opbrengen en de kosten
die voor hen worden gemaakt. Tevens komt de wijziging tegemoet aan het
vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2006 (KG 06/125).
23. Nederland kent een gecompartimenteerd systeem voor zorgkosten. Enerzijds is
er de Zorgverzekeringswet waaruit globaal genomen de kosten voor 'cure'
worden vergoed. Anderzijds is er de Aigemene Wet Bijzondere Ziektekosten
waaruit de kosten voor 'care' worden vergoed.
24. In de meeste Eurapese en verdragslanden is in de sociale zorgverzekering geen
onderscheid gemaakt tussen 'care' en 'cure'. Vaak vergoeden die landen in hun
zorgverzekering wei de kosten van 'cure' (geheel) maar vergoedt die verzekering
de kosten van 'care' slechts gedeeltelijk. Het kan dan zijn dat in vergoeding van
de kosten die niet onder de verzekering vallen op een andere wijze wordt
voorzien. Waarbij de daarvoor benodigde middelen bijvoorbeeld uit de
belastinggelden worden gehaald in plaats van uit verzekeringspremies.
25. In tegenstelling tot wat appellant beweert (punt 23 van het hoger beroepschrift), is het dus niet zo dat 'AWBZ-achtige zorg' in andere landen niet bestaat. Die stelling van appellant zou namelijk tot de conclusie leiden dat in andere landen bijvoorbeeld geen GGZ-zorg bestaat of dat in andere landen geen hulpmiddelen worden gebruikt bij herstel of revalidatie van een ziekte of aandoening. Een ander voorbeeld is het verblijf in een ziekenhuis. Oat wordt in Nederland het eerste jaar vanuit de Zorgverzekeringswet vergoed en daarna vanuit de AWBZ. In andere landen blijft de ziekenhuiszorg ook na een jaar gefinancieerd, aileen daar kent men niet een gecompartimenteerd stelsel. Nederland is niet uniek voor wat betreft de zorg die beschikbaar is. Wei is Nederland uniek voor wat betreft de wijze waarop het wettelijke ziektekostenverzekeringsstelsel is ingericht en wat
onder dat stelsel wordt vergoed.
26. Omdat in het Nederlandse wettelijke ziektekostenverzekeringstelsel ook de
AWBZ-zorg meetelt, vergoedt Nederland veelal meer zorg onder de sociale
ziektekostenverzekering dan andere landen. Het zou om die reden tot
ongelijkheid tussen de verdragsgerechtigden en de Nederlandse verzekerden
leiden als een verdragsgerechtigde een even hoge premie als een Nederlandse
verzekerde zou moeten betalen. Omdat ieder verdragsland een ander
zorgverzekeringspakket aanbiedt, is het in de praktijk onmogelijk om deze
pakketten met elkaar te vergelijken. Hierover verschillen partijen niet van
mening.
27. Mede gelet op de onmogelijkheid om zorgpakketten per land met elkaar te
vergelijken, heeft de minister besloten de woonlandfactor in te voeren. Daarmee
is de bijdrage die de verdragsgerechtigde moet betalen in relatie gebracht met de
zorgkosten voor de sociale ziektekostenverzekering in het woonland. Zo worden
ook ongelijke gevallen niet langer gelijk behandeld. Voor verdragsgerechtigden
in een woonland met een relatief klein of goedkoop woonlandpakket zal een
iagere wooniandfactor van toepassing zijn dan voor de verdragsgerechtigden met
een relatief duur of uitgebreid woonlandpakket. Hierdoor ontstaat er
differentiatie in de bijdrage per land.
28. Met de invoering van de woonlandfactor gaat de minister verder dan op grand
van het genoemde vonnis van de rechtbank Den Haag noodzakelijk was. Immers
de minister past de woonlandfactor toe op de volledige grondslag van de
bijdrage, dat wil zeggen op aile drie de componenten daaruit. Op grond van het
vonnis was het slechts noodzakelijk om aileen op de AWBZ-factor differentiatie
toe te passen.

De berekening van de woonlandfactor

29. Artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeting zorgverzekering luidt: De voor een
persoon, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet
verschuldigde bijdrage wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te
vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de
gemiddetde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociate
zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven
voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in
Nederland.
30. Appeilant staat een andere berekening van de woonlandfactor voor. Appellant
wenst daarbij aan te sluiten bij het bepaalde in artikel 95 van Verordening
574/72 (de toepassingsverordening). Appellant meent dat uit die bepaling
dwingend voortvloeit dat de berekening van de woonlandfactor geschiedt met de
op basis van dat artikel verkregen cijfers. Daarbij stelt appellant dat het in de
rede ligt dat daarbij in aanmerking genomen worden de gemiddelde kosten van
verstrekkingen aan gepensioneerden in Nederland en de gemiddelde kosten van
verstrekkingen aan gepensioneerden in de verschillende woonlanden. Appellant
is van mening dat dit de enige passend maatregel is die kan voorkomen dat het
gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden. Appellant stelt dat er sprake is van
verschillende sociale zekerheidsstelsels, te weten het stelsel van de Verordening
en het nationale stelsel.
31. Het CVZ is van mening dat het Gemeenschapsrecht de Lidstaten een grote mate
van vrijheid geeft bij het vaststellen van de bijdragen voor verdragsgerechtigden.
Dit voigt uit het bepaalde in artikel 33, eerste lid, van de Verordening ook in
verband met Bijlage VI van de Verordening. In artikel 33 is bepaald dat de
Lidstaten de bijdrage berekenen overeenkomstig hun eigen wettelijke regeling.
De bijdrage is bedoeld ter dekking van de kosten van prestaties. Nergens is
bepaald of geregeld dat de Lidstaten moeten aansluiten bij de systematiek uit
een Verordening of de cijfers die op grond daarvan beschikbaar zijn. Nergens
blijkt dat voor de berekening van de bijdrage er sprake is van de door appellant
gesuggereerde twee sociale zekerheidsstelsels, of dat die gedachte daarbij als
leidraad zou moeten fungeren. Evenmin is bepaald dat de voor de
verdragsgerechtigde meest gunstige methode moet worden gebruikt. Bovendien
ziet artikel 95 van Verordening 574/72 op een heel andere situatie dan hier aan
de orde.
32. Appellant betoogt dat de minister bij zijn berekening slechts met
gepensioneerden rekening mag houden, omdat appellant aileen op die manier
'ongelijk genoeg' behandeld wordt. Dit sluit echter niet aan bij de wettelijke
regeling, zoals die in Nederland geldt. Het Nederlandse
ziektekostenverzekeringstelsel differentieert de premie niet naar leeftijd of naar
groepen zoals bijvoorbeeld gepensioneerden of uitkeringstrekkers. Dat heeft
alles te maken met de risicosolidariteit die in die wetgeving besloten Iigt. De
minister sluit in de Regeling zorgverzekering aan bij de Nederlandse wetgeving
en dat is overeenkomstig artikel 33 van de Verordening. Er is geen verplichting of
noodzaak om ook nog eens te differentieren naar leeftijd, of zoals appellant dat
wenst naar zijn specifieke groep van gepensioneerden. Het bepaalde in artikel
6.3.1 , eerste lid, van de Regeling zorgverzekering leidt niet tot een schending
van het gelijkheidsbeginsel.
33. Appellant stelt dat de woonlandfactor een rechtstreekse relatie met artikel 95 van Verordening 574/72 heeft. Artikel 95 regelt echter niets over de bijdrage die een verdragsgerechtigde aan het pensioenland moet betalen. Artikel 95 is bedoeld
om de vergoeding van de bedragen tussen de Lidstaten onderling te regelen.
34. De toepassingsverordening voorziet er in dat de Lidstaten elkaar onderling de
door migrerende verzekerden veroorzaakte kosten vergoeden. Die vergoeding
geschiedt op basis van een vast bedrag berekend uit de gemiddelde kosten per
verzekerde of per gezin. Het vaste bedrag moet de werkelijke kosten zoveel
mogelijk benaderen. Om die reden kent Verordening 574/72 twee risicogroepen,
te weten de gezinsleden van werknemers en zelfstandigen (artikel 94) en de
gepensioneerden en hun gezinsleden (artikel 95). De achtergrond hiervan is, dat
de gepensioneerden en hun gezinsleden een ander, naar verwachting, hoger
kostenpatroon zullen vertonen dan de gezinsleden van werknemers en
zelfstandigen. Als appellants' stellingen in het beroepschrift gevolgd zouden
moeten worden zou dat er toe leiden dat er per categorie, naar gelang de kosten
die die categorie gemiddeld veroorzaakt, een aparte premiesteiiing zou moeten
worden vastgesteld. Dat komt in strijd met de risicosolidariteit en het verbod op
premiedifferentiatie die het Nederlandse stelsel kenmerken.
35. Appellant voert aan dat de Nederlandse Staat ten aanzien van de uitvoering van
artikel 95 van Verordening 574/72 nalatig is en dat dat geen reden kan zijn om
de berekening van de bijdrage niet te baseren op de door hem bepleite methode.
36. Dat Nederland nalatig zou zijn bij de uitvoering van artikel 95 is onjuist.
Nederland geeft al ruim 30 jaar met expliciete toestemming van de andere
Lidstaten en de Administratieve Commissie in aile openheid dezelfde uitvoering
aan dit artikel. Nederland is in al die jaren nooit door de Administratieve
Commissie aangesproken. Evenmin is Nederland ooit in een geschil betrokken bij
de Administratieve Commissie, omdat Nederland dit artikel niet goed zou
uitvoeren. De nieuwe Verordening 883/2004 zal de Nederlandse uitvoeringswijze
integraalovernemen.
37. Overigens is er een goede reden voor Nederland om artikel 95 van Verordening
574/72 uit te voeren zoals Nederland dat nu doet. Het is voor Nederland niet
mogelijk de volledige ziektekosten voor aile gepensioneerden en hun
gezinsieden vast te stellen. Gepensioneerden in zin van de Verordening zijn aile
uitkeringstrekkers en mensen met recht op een pensioen, dus niet aileen de 65jarigen.
Als Nederland deze kosten wil achterhalen moet Nederland niet aileen
van aile gepensioneerden achterhalen wie hun gezinsleden zijn, maar ook van
aile mensen met bijvoorbeeld een WAO-uitkering of een werkloosheidsuitkering
in Nederland. Van deze laatste groepen registreert Nederland die gegevens niet,
omdat die gegevens voor de uitvoering van die wetten niet noodzakelijk zijn en
dus ook niet bij de betrokken uitkeringsontvangers mogen worden opgevraagd.
Het gaat dus om een aanzienlijke groep personen, waarvan Nederland niet in
detail gegevens beschikbaar heeft.
38. Als appellant bedoelt dat de berekening van de woonlandfactor moet
plaatsvinden aan de hand van de gegevens over aile 65-jarigen in Nederland
(gepensioneerden in de zin van de AOW) en het woonland, dan zijn daar evenmin
voldoende gegevens voor beschikbaar. De gegevens die van de meeste andere
lidstaten beschikbaar zijn maken namelijk geen onderscheid naar deze groep
verzekerden. De cijfers van de meeste andere Verdragslanden betreffen namelijk
de volledige groep pensioen- en rentetrekkers, die veel groter is dan aileen de
groep 65-jarigen.
39. Het stond de minister vrij de berekening van de bijdrage te regelen, zoals hij dat nu eeft gedaan. Oat er ook andere methoden voor de berekening van de
woonlandfactor zouden kunnen zijn, wil niet zeggen dat de methode die de
minister nu in de Regeling zorgverzekering heeft opgenomen niet in redelijkheid
kan worden gebruikt. Sterker nog, het CVZ is van mening dat de minister in
redelijkheid tot het opstellen van de Regeling zorgverzekering is overgegaan. Het
CVZ is niet gebleken dat hij niet gehouden is om aan die Regeling bij het
opstellen van de voorlopige jaarafrekening gevolg te geven. Het CVZ is daarom
van mening dat de Rechtbank geen onjuiste maatstaf bij de toetsing van het
bestreden besluit heeft aangelegd.

Conclusie

Het CVZ is van mening dat de Rechtbank op goede gronden het beroep van
appellant ongegrond heeft verklaard.

(was getekend) dr. P.C. Hermans
Voorzitter Raad van Bestuur

(empty)
 
   
 
Top