Onderstaande tekst is de letterlijke weergave van de tekst van de brief. De XXXX'en zijn geplaatst om de privacy van de appellant te waarborgen.
(empty)
Centrale Raad van Beroep Postbus 16002 3500 DA UTRECHT
Procedurenummer: 08 / 1303 ZFW Verweerschrift in de procedure van: de heer XXXX, appellant gemachtigden: fif. E.H. Pijnacker Hordijk & fif. W.W. Geursen tegen de Sociale Verzekeringsbank, verweerster gemachtigden: H. van der Most & mw. drs. A. Slovacek
Amstelveen, 24 april 2008
Feiten en procedureverloop
1. De heer XXXX , verder te noemen: appellant, woont in Spanje en ontvangt van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een AOW-pensioen. Het College voor zorgverzekeringcn (CVZ) heeft appellant in december 2005 een E-121 formulier toegezonden en heeft daarbij in een apart schrijven aan appellant mededeling gedaan van het feit dat hij is aangemerkt als verdragsgerechtigde in de zin van verordening (EEG) 1408/71 (verder: de Verordening). In het schrijven is voorts aan appellant medegedeeld dat hij bijdragen aan het CVZ verschuldigd is.
2. Op basis van door het CVZ verstrekte informatie geeft de SVB met ingang van januari 2006 toepassing aan artikel 6.3.2 Regeling Zorgverzekering en houdt zij een buitenlandbijdrage voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) in op het AOW-pensioen van appellant. Bij brief van 5 januari 2006 heeft de SVB appellant geinformeerd over de inhouding van de Zvw-bijdrage op zijn AOW-pensioen.
3. Met het schrijven van 23 januari 2006 heeft appellant tegen de inhouding van de Zvw-bijdrage op het AOW-pensioen bezwaar gemaakt, zowel bij de SVB als bij het CVZ. Bij brief van 26 mei 2006 heeft appellant de gronden van zijn bezwaar aangevuld.
4. In juni 2006 heeft het CVZ een centrale mailing verstuurd met de mededeling dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een woonlandfactor heeft vastgesteld en dat deze met terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet wordt toegepast op de verschuldigde Zvw-bijdrage.
5. In juli 2006 heeft appellant van de SVB een specificatie van zijn AOW-pensioen ontvangen, met daarbij de mededeling dat vanaf juli 2006, met een terugwerkende kracht tot 1 januari 2006, voor de Zvw-bijdrage rekening wordt gehouden met de voor appellant geldende woonlandfactor.
6. Bij beschikking op bezwaar van 8 augustus 2006 heeft het CVZ het bezwaar inzake de toepassing van het verdragsrecht ongegrond verklaard.
7. Het hiertegen door appellant ingesteld beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is door de Afdeling bij uitspraak van 25 april 2007 gegrond verklaard. Het bezwaar van appellant is alsnog niet-ontvankelijk verklaard omdat de schriftelijke mededeling uit december 2005 van het CVZ, genoemd onder punt I, niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling heeft overwogen dat appellant in rechte kan opkomen tegen een besluit tot inhouding van een bijdrage op zijn AOW pensioen.
8. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling heeft het CVZ het bezwaarschrift van appellant doorgezonden aan de SVB.
9. Bij brief van 11 juni 2007 heeft appellant bij de SVB bezwaar gemaakt tegen de pensioenspecificatie van mei 2007. Bij brieven van 2 juli 2007 zijn de gronden van bezwaar aangevuld.
10. De SVB heeft de bezwaren van appellant gericht tegen het verdragsrecht zowel als de bezwaren gericht tegcn de woonlandfactor opgevat als een bezwaarschrift en heeft dit bezwaarschrift bij besluit van 24 augustus 2007 ongegrond verklaard.
11. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteid bij de rechtbank Amsterdam. Dit beroep is samen met een negental andere zaken behandeld ter zitting van 23 november 2007.
12. Op 31 januari 2008 heeft de rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de beschikking op bezwaar van 24 augustus 2007 vernietigd en de rechtsgevolgen van de beschikking op bezwaar in stand gelaten.
Uitspraak rechtbank:
Bevoegdheid van de SVB en het CVZ
13. De rechtbank acht de door de SVB ter zitting aangegeven gedragsIijn en het daarbij door de SVB en het CVZ gezamenlijk aangegeven kader rechtens niet onjuist. De vigerende regelgeving biedt geen concrete aanknopingspunten voor de aanname van een volledige autonome bevoegdheid van de SVB op dit punt. Daartoe wijst de rechtbank erop dat uit artikel 69 van de Zvw bIijkt dat het CVZ is belast met de administratie voortvIoeiende uit het eerste lid van dat artikel, en het bevoegde orgaan is waar het betreft de uitvoering van de daar genoemde intemationale regels, alsmede de heffing en de inning van de bijdrage. Dit sluit ook aan bij het bepaalde in artikel 1, onder b, van Bijlage VI, onder R, van de Verordening. Daarin is immers bepaald dat personen die in een andere lidstaat woonachtig zijn en krachtens de verordening ten laste van Nederland recht hebben op geneeskundige zorg in hun woonland, zich moeten registreren bij het College voor zorgverzekeringen. Daarbij komt nog dat de SVB zich - gelet op het bepaalde in artikel 6.3.2 van de Regeling Zorgverzekering - voor de vaststelling van de bijdrage zal dienen te verlaten op informatie van het CVZ.
14. Gelet op de centrale plaats die het CVZ inneemt, komt de rechtbank tot het oordeel dat de SVB slechts een beperkte (toetsings)bevoegdheid heeft ten aanzien van de inhouding van de bijdrage op de ouderdomspensioenen.
15. De rechtbank concludeert dat het CVZ de bezwaarschriften van eisers ten onrechte op de voet van artikel 6: 15 van de Awb heeft doorgezonden naar de SVB. Niet de SVB, maar het CVZ was het ter zake van de bezwaren bevoegde orgaan. In het verlengde daarvan had de SVB zich dienen te onthouden van een oordeel over deze vragen en de bezwaarschriften in zoverre dienen te retourneren aan het CVZ.
De beroepen ten gronde
16. Voor een oordeel over de grieven ten aanzien van de inhoud en verbindendheid van de regelgeving verwijst de rechtbank naar de uitspraak voorzien van reg. Nrs. AWB 07/3445 ZFW, AWB 07/3443 ZFW en AWB 07/3444 ZFW, welke als bijlage achter de uitspraak is gevoegd.
17. In die uitspraak overweegt de rechtbank onder meer dat uit de artikelen 28 en 28bis van de Verordening noch uit artikel 29 van Verordening (EEG) 574/72 noch uit de jurisprudentie van het HvJ EG valt afte leiden dat aan (personen als) appellant een keuzerecht toekomt. Evenmin is sprake van strijd met de artikelen 18 en 39 van het EG-Verdrag.
18. Ten aanzien van de woonlandfactor overweegt de rechtbank dat de in de Regeling Zorgverzekering opgenomen woonlandfactor niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat (personen als) appellant niet gelijk (zijn) is aan in Nederland wonende pensioengerechtigden. Van strijd met het verbod van willekeur is evenmin sprake. De Nederlandse wetgever heeft in redelijkheid tot de Regeling Zorgverzekering kunnen komen.
19. De grieven van (personen als) appellant zijn door de rechtbank alle verworpen. Een heroverweging door het CVZ zou appellant dan ook niet hebben gebaat.
20. De rechtbank concludeert dat de SVB mocht afgaan op de informatie die zij had verkregen van het CVZ en er bovendien geen grond is om de bestreden besluiten materieel voor onjuist te houden. De rechtsgevolgen van het bestreden besluiten worden daarom in stand gelaten.
Samenvatting van de gronden van beroep:
Formele punten:
21. De SVB is het bevoegde orgaan ter zake van inhoudingen op het AOW-pensioen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat niet de SVB, maar het CVZ ter zake bevoegd is.
Primair: 22. De rechtbank concludeert ten onrechte dat de SVB/het CVZ heffingsbevoegd is op grond van artike1 33 van de Verordening.
Subsidiair: 23. De rechtbank oordeelt ten onrechte dat appellant geen beroep openstaat op artike1 18 van het EGVerdrag.
24. De rechtbank oordeelt ten onrechte dat er geen belemmering is van het vrij verkeer waarop Unieburgers (als appellant) op grond van artikcl van het 18 EG-Verdrag recht hebben.
Meer subsidiair: 25. De rechtbank gaat volledig voorbij aan het door appellant aangevoerde meer subsidiaire argument voor vemietiging van het besluit op bezwaar.
Nog meer subsidiair: 26. De rechtbank oordeelt ten onrechte dat de Minister met het vaststellen van de woonlandfactor het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden.
27. De rechtbank oordeelt ten onrechte dat de Minister met het vaststellen van de woonlandfactor het verbod van willekeur niet heeft geschonden.
Standpunt SVB:
28. Appelant stelt dat de rechtbank zou hebben geconcludeerd dat de SVB niet bevoegd is te oordelen over de inhouding van de bijdrage. De SVB begrijpt de overwegingen 2.17 tot en met 2.21 van de rechtbank echter zo, dat de SVB de hoogte van de door de SVB in te houden bijdrage vaststelt, maar niet bevoegd is te oordelen over de verschuldigdheid van een bijdrage voor buiten Nederland woonachtige pensioengerechtigden. De verschuldigdheid van de bijdrage wordt vastgesteld door het CVZ, die zijn bevoegdheid daartoe ontleent aan artikel 69 van de Zorgverzekeringswet. Voor de vaststelling van de bijdrage dient de SVB zich - gelet op het bepaalde in artikel 6.3.2 van de Regeling Zorgverzekering - te verlaten op de informatie van het CVZ. De rechtbank heeft daarmee het verweer van de SVB, zoals dit ter zitting naar voren is gebracht, geheel overgenomen en het spreekt daarom voor zich dat de SVB zich op dit punt geheel met de uitspraak kan verenigen.
29. Uit het voorgaande volgt dat de SVB, anders dan appellant, van mening is dat de kern van het geschil niet is gelegen in de vraag of aan Nederland een heffingsbevoegdheid toekomt op basis van artikel 33 van de Verordening, maar in de vraag of het CVZ juiste toepassing geeft aan de artikelen 28 en 28bis van de Verordening. In het licht van het voorgaande ten overvloede wenst de SVB hierover allereerst op te merken dat de SVB zich geheel kan vinden in de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de inhoudelijke grieven tegen de inhouding van de bijdrage en de hoogte van de woonlandfactor.
30. Met betrekking tot de stelling van appellant dat artikel 28 van de Verordening geen conflictregel in eigenlijke zin is en dat de conflictregel met betrekking tot postactieven is te vinden in artikel 17bis van de Verordening moet het volgende worden opgemerkt. Artikel 17bis biedt degene die recht heeft op een pensioen of rente overeenkomstig de wettelijke regeling van een Lid-Staat of op pensioenen of renten krachtens de wettelijke regelingen van verscheidene Lid-Staten en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont, de mogelijkheid om te worden vrijgesteld van de toepassing van de wettelijke regeling van zijn woonland mits hij niet uit hoofde van de uitoefening van een beroepswerkzaamheid aan deze wettelijke regeling is onderworpen. De SVB begrijpt het betoog van appellant aldus dat de Verordening appellant wel degelijk een keuzerecht biedt en dit keuzerecht (daarom) ook geldt voor artikel 28 van de Verordening.
31. De SVB begrijpt het systeem van de artikelen 28 en 33 van de Verordening zo dat deze beogen in uitzondering op de bepalingen van titel II bescherming tegen de gevolgen van ziekte te bieden voor bepaalde personen die (i) in hun woonland geen recht op prestaties bij ziekte hebben, (ii) hun beroepsactiviteiten hebben gestaakt en (iii) een pensioen uit een of meerdere lidstaten ontvangen. De bescherming wordt geboden doordat enerzijds eventuele voorwaardcn inzake de woonplaats in de wetgeving van de lidstaten die de betrokkene een pensioen betalen, worden opgeheven en anderzijds door te bepalen dat als hierdoor recht op prestaties zouden ontstaan in een pensioenverstrekkende lidstaat de verstrekkingen dienen te geschieden door het woonland. Tegelijkertijd wordt getracht te voorkomen dat zich problemen voordoen bij de heffing van bijdragen. Door middel van deze systematiek schept artikel 28 een uitzondering op het geheel van titel II en derhalve ook op artikel 17bis van de Verordening.
32. De SVB merkt voorts op dat het ontbreken van de mogelijkheid om zich aan de toepassing van artikel 28 van de Verordening te onttrekken niet aIleen berust op een juridisch technische uitleg van de Verordening, maar tevens gerechtvaardigd wordt door het feit dat de Verordening op het onderhavige punt in essentie een zelfstandige socialezekerheidsverzekering heeft geschapen. Appellant is in zijn woonland verzekerd van prestaties. Hij moet zich, zoals voorheen bij de Ziekenfondswet ook in Nederland gebruikelijk, wel inschrijven in zijn woonland, maar het verzekeringselement bestaat eruit dat hij niet geweigerd kan worden. Tegenover de zekerheid op prestaties in het woonland, staat vervolgens dat appellant een bijdrage verschuldigd is. Dit systeem behelst daarmee wel degelijk aIle kenmerken van een socialezekerheidsstelsel.
33. In de vaste jurisprudentie van het Bundessozialgericht (BSG) komt eveneens tot uiting dat de regeling van de Verordening in essentie een socialezekerheidsregeling is. Uit die jurisprudentie blijkt dat niet de letterlijke tekst van de communautaire regeling, maar de inhoud en strekking daarvan bepalend moeten zijn voor de interpretatie van de verordening. In een uitspraak van 16 juni 1999, B1 KR 5/98 R overweegt het BSG in het geval van een Duitse pensioengerechtigde daarom dat "sein durch das Gemeinschafsrecht begründeter Status die wesentlichen Merkmalen eines Versicherungsverhiiltnisses im Sinne des deutschen Rechts erfüllt".1) Latere jurisprudentie van het Hof van Justitie EG heeft in de zienswijze van het BSG geen verandering gebracht (zie de uitspraak van 5 juli 2005, B 1 KR 4/04 R, overweging 14).
34. Gelet op voornoemde jurisprudentie van het BSG acht de SVB het stellen van prejudiciele vragen aan het HvJ EG niet nodig. Mocht uw Raad evenwel een andere mening zijn toegedaan, dan zou(den) de vra(a)g(en) naar de mening van de SVB moeten gaan over de uitleg van artikel 28 van de Verordening, omdat de kern van het geschil draait om de uitleg en de toepassing van dit artikel.
35. Ten aanzien van de hoogte van de voor appellant geldende woonlandfactor is de SVB met de rechtbank van mening dat de in de Regeling Zorgverzekering neergelegde woonlandfactor niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel c.q. het verbod van willekeur. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden en ongelijke gevallen ongelijk behandeld worden. Met de invoering van de woonlandfactor worden ongelijke gevallen niet langer gelijk behandeld, hetgeen door appellant niet wordt betwist. Appellant stelt in het beroepschrift echter dat hij niet "ongelijk genoeg" wordt behandeld. Appellant doet daanmee in essentie niet langer een beroep op het gelijkheidsbeginsel, maar wenst dat de woonlandfactor volledig wordt toegesneden op zijn individuele situatie. Het gelijkheidsbeginsel, voor zover dit de gelijke behandeling van ongelijke gevallen verbiedt, strekt echter niet tot een strikte individualisering van aanspraken zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel dient te falen. Van willekeur kan evenmin sprake zijn nu de woonlandfactor is gebaseerd op objectieve gegevens die, conform de wijze waarop de bijdrage voor personen zoals appellanten is vastgesteld, uitgaan van gemiddelde bedragen voor de gehele bevolking.
Conclusie:
36. Op grond van het vorenstaande is de SVB van mening dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en verzoekt uw Raad dan ook het hoger beroep ongegrond te verklaren en het verzoek om kostenvergoeding af te wijzen.
Hoogachtend, Sociale Verzekeringsbank (was getekend) H. van der Most Senior Juridisch Beleidsadviseur Mw. drs. A. Slovacek Juridisch Adviseur
1) De verzekeringsdekking op basis van de Europese communautaire voorschriften beantwoordt ... aan de wezenlijke kenmerken van een verzekering naar Duits recht.